Uw browser ondersteund geen javascript, zonder javascript is deze website niet te bekijken.
 
 

Kopen en voorkiemen

Pootaardappels kunnen vanaf januari bij kwekers en tuincentra besteld of gekocht worden. Het is weliswaar mogelijk om te telen met de spruiten van een zelfverbouwde oogst, maar daar deze thuis niet op optimale wijze bewaard kunnen worden zijn ze erg gevoelig voor ziekten en groeistoornissen.
Beter is het om gegarandeerde pootaardappels te kopen (vrij van virussen en afkomstig uit gebieden waar geen ziekten heersen). Ook kan men het best advies bij de leverancier inwinnen alvorens een ras te kiezen ‑ het succes van ieder ras kan van plaats tot plaats nogal verschillen. Dit geldt ook voor de te gebruiken kunstmest (met meer of minder fosfaat, kali of stikstof) en (preventieve) bestrijdingsmiddelen.

Ongeveer 2 ½, kg is voldoende voor kleine pootaardappels van zo'n 40 g per stuk die een grootte hebben van een klein kippeëi. Zet ze op roosters, kiembakjes of eierdozen (en die liefst weer op een plank of pallet) met het stompe eind ‑ waar de ogen zitten ‑ omhoog. Zet ze neer op een droge, lichte en vorstvrije plek (eventueel eerst binnen in een onverwarmde ruimte), maar niet in direct zonlicht of in de warmte. Na 4‑5 weken zullen de ogen spruiten van 6‑12 mm lengte hebben. Dit laten voorkiemen is bedoeld om de groei met enkele weken zonder kans op vorst te verlengen en is het best voor vroege en zeer vroege aardappels. Voor latere rassen is het minder noodzakelijk vanwege het langere groeiseizoen.

Graaf geulen (voren) van 10‑15 cm diepte. Bij het poten van zeer vroege aardappels moeten de bouwvoren 60 cm uiteen liggen; voor vroege en latere soorten 70‑75 cm. Leg zeer vroege poters met een tussenruimte van 30 cm in de tweede helft van maart, afhankelijk van plaats en weer, voorzichtig in de voren. Vroege, middenvroege en late rassen moeten een tussenruimte van 40 cm hebben en vroeg tot laat in april gepoot worden. De kiemen moeten omhoog steken en niet beschadigd worden. Om de spruiten te beschermen moet men ze eerst met wat turf bestrooien. Daarna kan de aarde uit de voren er weer overheen geharkt worden. Hark de aarde tussen de voren wat omhoog, zodat er kleine 'ruggen' over de aardappels komen te liggen; de poters dienen ongeveer 8 cm bedekt te zijn. Strooi er tenslotte wat kunstmest over.

Begin de aarde op te hogen wanneer de planten 15 a 20 cm hoog zijn. Dit vergroot de hoeveelheid aarde op de wortels die zich daardoor gaan verspreiden en knollen gaan vormen. Schoffel tussen de geulen en vermeerder de aarde rond de scheuten. Doe dit elke 2‑3 dagen totdat de ruggen 15 cm hoog zijn of totdat het loof van de ene rij dat van de volgende raakt. De aardappels goed begieten bij droog weer door de geulen tussen de ruggen vol water te laten lopen. Strooi ook zo nu en dan wat kunstmest.

(Midden)vroege en (midden)late rassen zijn vatbaar voor aardappelziekte en kunnen preventief worden bespoten met diverse middelen. Raadpleeg hiervoor de leverancier van het pootgoed. Herhaal de bespuiting ca. elke 2 weken tot begin september.