Uw browser ondersteund geen javascript, zonder javascript is deze website niet te bekijken.
 
 

Overig Europa

De aardappel werd buiten Ierland in Europa lange tijd met achterdocht en bijgeloof bezien.Rasverbetering had nog niet plaatsgevonden en de knollen zagen er onappetijtelijk en onaangenaam uit: grillige vormen bedekt met wratachtige en schurftige plekken ‑ men dacht dat hij daarom de oorzaak van melaatsheid kon zijn, een gevreesde ziekte in die tijd.
Nu was het zo dat de aardappels van toen meer solanine bevatten dan tegenwoordig en het eten ervan kon uitslag veroorzaken, lijkend op een beginsymptoom van lepra.

De giftige eigenschappen van delen van de plant werden onderkend. Het wantrouwen tegen het gewas berustte misschien nog het meest op zijn wijze van voortplanten. Men was gewend dat planten zich door middel van zaad vermenigvuldigden: een gewas dat zich ook vanuit de knollen kon vermeerderen moest haast wel van duivelse oorsprong zijn. Bijgeloof veroorzaakte de vrees dat het eten van de aardappel lage begeerten opwekte en daar zelfbestuiving bij de aardappelplant niet zeldzaam is zou zelfbevlekking er bij de mens een gevolg van zijn.

Uit angst voor lepra werd de bevolking van Bourgondië met zoveel woorden verboden om de knollen te gebruiken. Andere ziekten die mede aan het eten van aardappels werden toegeschreven waren tering of tuberculose (in Zwitserland vooral scrofulose, een klieraandoening en een vorm van t.b.c. bij jonge kinderen), rachitis en syfilis. Op zijn minst geloofde men dat aardappels in hoge mate winderigheid opwekten en de potentie bevorderden en werden ze slechts geschikt geacht voor armoedzaaiers en varkens. In Engeland en Schotland waren puriteinse groeperingen die de aardappel afwezen aangezien hij niet in de bijbel genoemd werd.

Er waren echter ook mensen, vaak wetenschappers, die het belang voor de voeding inzagen. Mede om economische redenen werd de aardappel in de 18e eeuw gepropageerd als hoofdvoedsel voor de armen in geheel Europa, wat op veel verzet stuitte. Russische boeren stierven nog liever de hongerdood dan dat zij zich aan de aardappel zouden wagen. Frederik de Grote van Pruisen dwong zijn ondervoede onderdanen onder dreiging van geweld aardappels te eten; het feit dat ze in de armenhuizen van München in de soep verwerkt werden moest aanvankelijk strikt geheim blijven. Heden ten dage is Duitsland een van de landen waar de meeste aardappels gegeten worden.

Lodewijk XVI van Frankrijk toonde veel belangstelling voor voedingsmiddelen die zijn volk zouden kunnen redden van de herhaaldelijk voorkomende hongersnoden in de jaren 1760 en 1770. Een apotheker, Antoine‑Auguste Parmentier, stelde de koning als mogelijke oplossing de aardappel voor. Hij had er kennis mee gemaakt toen hij met de troepen meereizend tijdens de Zevenjarige Oorlog krijgsgevangene in Pruisen was. Om aan de aardappel bekendheid te geven richtte hij een diner aan voor prominente personen waarvan alle gangen ‑ zelfs het dessert uit aardappelgerechten bestonden. De koning gaf toestemming voor aardappelteelt op de Sablons, een kaal zandgebied even buiten Parijs. Parmentier liet de akkers in de oogsttijd met veel vertoon overdag bewaken om de nieuwsgierigheid van de omwonenden op te wekken. Dat had natuurlijk tot gevolg dat er al gauw 's nachts aardappels gestolen werden en het duurde niet lang of er waren boeren die ze zelf gingen telen. Parmentier bood de koningin, Marie‑Antoinette, eens aardappelbloesem aan die zij in het haar droeg: het hof heeft er veel aan gedaan om de aardappel populair te maken. Veel klassiek geworden aardappelschotels zijn sindsdien naar Parmentier genoemd en de aardappel is nu in Frankrijk veruit de meest gegeten groente.

Vanuit Spanje was de aardappel in Italië geïntroduceerd, waar hij gezien werd als een soort truffel en daarom tartuffulo werd genoemd. De belangstelling verflauwde en later werd hij gewoon patata genoemd. In Zwitserland werd hij kort voor 1600 ingevoerd, waar de Hardöpfel zijn wetenschappelijke naam kreeg van de Baselse geleerde Caspar Bauhin. De aardappel was er evenals overal elders niet meteen populair en men was ook bang dat hij de graanteelt zou benadelen. In de 18e eeuw werd hij echter algemeen verbouwd en in 1795 werd er zelfs een uitvoerverbod op geheven.

In Groot‑Brittannië was het feit dat aardappels het voornaamste voedsel vormden van de leren, die men vaak met minachting bezag, niet bepaald bevorderlijk voor de populariteit. Oorlogen in Europa en de daarop volgende graantekorten leidden ook hier ertoe dat de aardappel geleidelijk aan geaccepteerd werd. De hoge graanprijzen gaven daar mede aanleiding toe en aardappels werden vaak in brood meegebakken ter aanvulling van de bloem. Tijdens de wereldoorlogen werd de bevolking aangespoord zelf aardappels te telen zodat er minder graan geïmporteerd hoefde te worden.